|
Landschapsarchitectuur en stedenbouw in Nederland 03/07
VAN DE REDACTIE
Business as usual, zou je kunnen zeggen. Ook voor dit – in een nieuwe jas gestoken – jaarboek Landschapsarchitectuur en stedenbouw in Nederland selecteerde een onafhankelijke commissie weer tussen de dertig en veertig voorbeeldige plannen die samen een mooi en breed beeld geven van wat deze disciplines te bieden hebben. En ook deze keer bestond de commissie uit zowel jonge als ervaren ontwerpers uit de praktijk, namelijk Ank Bleeker, Robert Broesi, Harro de Jong en Anna Vos. Onder voorzitterschap van Tineke Blok bepaalden zij een selectie uit ruim tweehonderd inzendingen aangevuld met door de redactie en het bestuur voorgedragen plannen. Mark Hendriks verzorgde de beschrijvingen van de geselecteerde projecten in dit boek.
Business as usual, maar iedere commissie geeft toch ook een eigen kleur, en iedere periode heeft haar eigen accenten. Zo is het in deze selectie opvallend dat veel van de geselecteerde projecten slechts ontwerpen zijn – uitvoering laat op zich wachten of komt nooit aan de orde. Het zijn studies of visies die op zijn best een richting in de ruimtelijke ontwikkeling geven. De commissie zag daarnaast ontwerpen voorbijkomen voor schijnbaar onmogelijke opgaven die al eens eerder door anderen en kennelijk dus tevergeefs waren aangepakt. De besluitvorming en de realisatie in de Nederlandse ruimtelijke ordening verlopen onverminderd moeizaam.
Het essay van Peter Paul Witsen gaat over ‘De onnavolgbare ontwerper’. De lezer moet de dubbele betekenis van de titel goed wegen en de vraag serieus nemen hoe het toch komt dat er zo weinig kwaliteit wordt gerealiseerd. In dit verband is ook de inleiding van bestuurskundige Henri Goverde ‘Participatie tussen recept en illusie’ veelbetekenend. Na duurzaamheid lijkt nu participatie het toverwoord voor ruimtelijke ontwikkeling. Maar hoe onnavolgbaar de ontwerper ook is, toveren kan hij nog steeds niet.
Met de stedelijke ontwikkeling is iets aan de hand – tenminste als je deze selectie bekijkt. Het is afgelopen met de grote Vinex-uitbreidingen, die goed waren voor vele pagina’s in voorgaande jaarboeken. Nu wordt de toon gezet door herstructureringen van vooral havengebieden en bedrijfsterreinen, en enkele zogenaamde dorpse uitbreidingen. Dat laatste fenomeen was aanleiding voor een kort essay van Sjoerd Cusveller, die onder de noemer ‘Dorpstraat Ons Dorp’ met enige weemoed verwijst naar de sterke gebaren waar stedenbouwers zich in het verleden wel eens van bedienden. De grote opgave van de herstructurering van de naoorlogse wijken is slechts met een enkel project vertegenwoordigd.
Je kunt ook zeggen: er is iets aan de hand met de stedenbouw van deze jaren. De selectie bevat een overmaat aan door landschapsarchitecten gestuurde projecten. Een eenvoudige rekensom leert dat tegenover elk geselecteerd project van een stedenbouwkundig bureau er drie van landschapsarchitecten staan. Weliswaar zijn landschaparchitecten als vormgevers beter toegerust voor relatief kleinere projecten zoals tuinen, parken en pleinen. Maar toch. Alle openbareruimteprojecten in dit boek zijn van de hand van landschapsarchitecten.
Opvallend is het relatief grote aantal plannen voor het landelijk gebied. Als je ook de meer parkachtige projecten in het buitengebied meeneemt is de oogst ronduit aanzienlijk: een derde van de plannen is ‘groen’ en ligt buiten de stad. Opmerkelijk is dat er juist hier veel is uitgevoerd, overzichtelijke projecten op het raakvlak van natuur, recreatie en cultuurhistorie, waarin de gedachtegang uit de rijksnota Belvedere stevig navolging heeft gekregen. Eric Luiten gaat in zijn inleiding ‘Opdat wij niet vergeten’ verder in op het historische gehalte van de selectie. Maar ook de andere plannen tonen aan dat in het landelijk gebied bijzondere projecten worden uitgedacht. Het zijn hoopgevende impulsen voor de wereld buiten de (Rand)stad.
Hoe we daar op een prettige manier moeten komen, is overigens de vraag. Jammer genoeg geeft de selectie geen aanleiding tot grote vreugde over het ontwerpen aan de infrastructuur. Welgeteld één project haalde de eindstreep. Het kán wel, maar het komt er zo weinig van.
Voor dit jaarboek schreef Robert Broesi een essay over uitdagingen die de wateropgave aan ons ‘Kunstwerk Nederland’ stelt. Slechts mondjesmaat sijpelde die opgave door in de selectie, reden om eens kritisch stil te staan bij de kansen en de problemen.
De bij dit verhaal opgenomen luchtfoto’s van Peter van Bolhuis zijn meer dan een hommage aan deze te vroeg overleden landschapsarchitect, luchtfotograaf en jaarboekredacteur. Ze laten zien waar landschapsarchitecten en stedenbouwkundigen terecht van dromen.
Harry Harsema
|